fennanda eleveld
 
 
 
 

 

 

 

 

Opening expositie Fenannda en Suzan in Het Posthuys op Texel 4 juni 2017.

Ik neem u mee in een verbeeldingsreis waarin u de kans krijgt om even kunstenaar te zijn.
Stel nu dat u morgen wakker wordt als die kunstenaar die u wilt zijn. U staat op en u mag zelf kiezen in welke discipline u die kunstenaar wilt zijn. Misschien kiest u voor de muziek en gaat u iets componeren. Misschien pakt u uw schildersezel en gaat er op uit om een landschap te creëren. Misschien zingt u een lied. Of u pakt uw camera en maakt een foto’s en of een film. Of u speelt de hoofdrol in een toneelstuk door u geschreven. Of u schrijft een gedicht.

U krijgt echter  een gemeenschappelijke opdracht: neem de tijd en laat u inspireren door het Texelse landschap en de Texelse mores.
Door de wind, de zon, het zand en de zee. Door de duinen, de boetjes, de schapen en de dijken. Wat zou er met u gebeuren als u dat deed?
Welke schone ervaringen zouden er op u en ons pad komen...We zouden de weg van de kunstenaar ontmoeten. Het kijken, het onderzoeken, het luisteren naar en het ervaren van  Texel zouden u wel eens kunnen verrassen. Soms is schoonheid lastig te beschrijven. Je kan het maar het beste zelf ervaren of met je eigen ogen zien.
In mijn laatste blog schreef ik over kunstenaars. Ik schreef dat er moed voor nodig is om kunstenaar  te worden. En tegelijkertijd besef ik dat elke kunstenaar voor deze moed iets kostbaars terugkrijgt. De ervaring van vrijheid, de tijdloze intensiteit van “ergens” in op kunnen gaan. Het ervaren van een beeld en het doordringen van een beeld, van een landschap op Texel in dit geval, de ervaring van het openzetten van al je zintuigen en het vertellen van een verhaal aan de wereld, dat je geschonken wordt door een talent. En dat is precies wat Suzan en Fennanda hebben gedaan in de maand april van dit jaar.

Er was moed voor nodig om de elementen te trotseren in de koude aprilmaand op het eiland. Er was moed voor nodig om op het strand of in een Texels boetje te gaan werken, met de koude wind om je haren, het zand op je huid en de schetsen die wegwapperden in de wind, het zout op de lippen, het vocht en de druppels van de regen op de kleding en om je heen de zee en de zee en de Waddenzee en de wilde Noordzee, de stuifduinen en de Hors. Omringd door water, oer-Hollandse wolkenluchten, de schapen en groene dijken en het Texelse licht als inspiratiebron. Er was moed voor nodig om te bivakkeren in een koud tentje en een koude camper, terwijl de nachtvorst de huid beroerde en alle warmtebronnen in stelling bracht. Er was moed voor nodig om de elementen te trotseren en vast te leggen in beelden.

Water, lucht, aarde en vuur. We laten ons leiden door deze elementen die de natuur ons gratis biedt. Die het hele leven ons  gratis biedt. LUCHT, AARDE, WATER EN VUUR. Zonder deze vier zouden we niet leven en zonder deze vier zouden we niet sterven. Zonder deze vier hadden Suzan en het Fennanda andere kunst gemaakt. Zie hier de oogst en de beloning van hun kunstenaarschap.

Gisteren keek ik lang en doordringend naar het werk van Suzan en naar het werk van Fennanda.
Niet eens in het echt, maar via de foto’s op de website van de galerie. Fennanda de lucht  en het water? Suzan het vuur en de aarde. Dat was het eerste wat bij me opkwam.
Maar misschien moeten we die scheiding niet zo scherp maken. Want de zee en de lucht met zijn kleuren en zijn diepten was voor beiden een leidraad en de elementen kan je op vele manieren duiden. En het werk van Suzan en Fennanda ook.

En ik zag de zee in de houtskooltekeningen van Suzan,ik zag de beweging en het water, het zand en de  structuren in haar monoprints.
Ik keek naar haar olieverfschilderijen en werd vooral getroffen door de kleuren die me het water in trokken. Het blauwe en het groene, het roze, het aubergine en het licht, vastgelegd in ferme bewegingen, met een diepte die bijna beangstigt. Het roze in haar werk verlenen haar beelden een abstractie, die je wegtrekt bij de zee, waar naar toe? De beweging in haar werk die het zand vermengt met de soms woeste beweging van het water en die het donkere, het gitzwarte en de schaduw zichtbaar maakt, die het gevecht van de wind met het zand toont. De vloedlijn en de onderwereld van de zee die elkaar ontmoeten en het water dat de aarde optilt. Je ziet geen mens en toch is die aanwezig in de schaduwen.

Ik keek naar het werk van Fennanda. Ik was onder de indruk van het licht dat je als kijker tegemoet treedt in al zijn vormen: direct, gereflecteerd, gefilterd, sprankelend, onscherp, ongrijpbaar, ondefinieerbaar. Land, zee en lucht ontmoeten elkaar in de kleine juweeltjes van 10 bij 20, in rake kleuren en nuances verbeeldt. Van de wolkenluchten wordt ik blij, daar herken ik Fennanda’s lichtheid in. Ze nodigen je uit om nog net iets beter te kijken. Ze tillen je op richting het blauw. Je zou bijna plaats nemen op zo’n wolkje, zachtjes wiegend… Laverend en steeds weer veranderend.
De grotere werken, waarin je de zee ontmoet, vooral de kalmte er van, maar ook de getijden, de kleurschakeringen, het schuim van de golven en soms de verbazing dat dit alles zo verzachtend werkt. Als een troostrijke bron, dat alles toch wel goed komt.

Texelaars, toeschouwers, kunstminnners, voorbijgangers, familie, vrienden. Wat een eer om hier te mogen zijn. Laaf u aan de werken van Fennanda en Suzan. Laat u meenemen op de golven, de deining, de troostrijke bronnen, de weerspiegelingen van deze twee vrouwen.

Lieve Suzan en Fennanda, Fennanda en Suzan.
Dank voor jullie mooie verhalen, verteld met jullie penselen, houtskool en jullie verbeelding.
Blijf vooral deze verhalen vertellen aan de wereld en aan elkaar. Blijf kunstenaar.

Wilma Eleveld

---

Maltsjik

In het Moskouse metrostation Mendelevskaja speelde zich een drama af. De zwerfhond Maltsjik, die zich dagelijks met tram, trolley en ondergrondse door de stad verplaatste, maakte avances op het hondje van een fotomodel. Het fotomodel stak Maltsjik dood. Verbijsterde omstanders zamelden geld in om een standbeeld op te richten voor ‘hun’ Maltsjik. Het fotomodel werd opgesloten in een psychiatrische kliniek.

Onder de grond op station Mendelevskaja, staat nu een bronzen beeld van een kleine hond met een langharige vacht en een spitse snuit. Reizigers die zich haasten op weg naar huis of werk, de kraag hoog opgetrokken en de blik op oneindig, staan stil bij het beeld om het dier over zijn kop te aaien – als om even contact te maken, in dit ondergrondse waarin menselijk contact zo vaak ontbreekt. Op de plek waar Maltsjik dagelijks door honderden handen wordt gestreeld, heeft het donkere brons een gouden glans gekregen.

Het bronzen hondje Maltsjik is, wanneer we het over kunst hebben (en daar hebben we het vandaag over), waarschijnlijk niet zo’n interessant beeld. Het kan best zijn dat het een behoorlijk kitscherig beeld is. Ik kan daar niet over oordelen, want ik heb het niet in het echt gezien. We zouden, naar aanleiding van dat beeld, kunnen praten over mooi en lelijk, over vernieuwing en cliché, of over de betekenis van sentiment.
Maar daar gaat het me hier niet om. Waar het me wel om gaat is dat er iedere keer dat een voorbijganger de hond over zijn kop aait, een klein wonder geschiedt: dode vorm wordt levende aanwezigheid, materie krijgt ziel. Het beeld, dat in feite niet meer is dan een aantal kilo brons in de vorm van een hond gegoten, wordt tot een ‘ander’, waartoe de kijker zich verhouden – en in het geval van Maltsjik, aan verbinden kan.

Misschien heeft het beeld helemaal geen ziel. Misschien is het zo, dat het de haastige voorbijganger uitnodigt om zijn eigen ziel te projecteren in de vorm. Misschien wijst het beeld hem daarmee, bewust of onbewust, op zijn eigen menselijkheid, en op zijn verbondenheid met de ‘andersheid van de ander’. Wat hem voor even optilt uit de waan van de dag – voordat hij de pas erin zet om zijn metro te halen.

Het moment waarop een beeld bezield raakt – of anders gezegd, gevuld raakt met energie – is in feite het wonder van de beeldende kunst. Wat dat wonder precies tot stand brengt, weten we niet. Daarom is het ook een wonder. De dichter Pessoa heeft het zich zijn hele oeuvre lang afgevraagd: “Het mysterie van de dingen, waar is dat?” Is het in de dingen, in de kijker, of in de interactie tussen beide?
Bezieling van vorm is waar iedere kunstenaar naar op zoek is. Bezieling kun je niet maken, hoogstens kun je haar teweeg brengen. Het is een kwestie van herkennen, of van ontvangen. Je raakt er als kunstenaar, ondanks je vakmanschap, door overvallen. Het is wat de Griekse beeldhouwer Pygmalion overkwam toen hij verliefd werd op het beeld dat hij zelf had gemaakt, en de goden verzocht haar tot leven te wekken. Het is ook wat de 14de eeuwse beeldhouwer Donatello gebeurde, toen hij zijn levensgrote beeld Zuccone (‘meloenkop’) uit steen had gehakt en uitriep: “Spreek dan toch, verdomme!”. En het is waar de kunstenaar Martin Tissing op doelde toen hij zei: “Een schilderij moet oogjes krijgen. Als het naar je terug gaat kijken, dan is het goed.”

Een kunstwerk als ‘aanwezigheid’ kijkt dus de kijker aan. De kijker met zijn aandachtige blik, vult op zijn beurt het kunstwerk met ziel. Kijken naar kunst is een levende interactie, een dialoog, waarbij niet alleen de ziel van het werk in beeld komt, maar ook de ziel van de kijker. Kijken naar kunst is op die manier je verhouden tot het andere, waarbij het andere je ook iets vertelt over jezelf. Het bronzen hondje Maltsjik, dat de passanten op het Moskouse metrostation steeds weer weet aan te spreken, is daar een voorbeeld van. Misschien gaat het daar over een vrij alledaags sentiment, dat weet ik niet. Waar het in de kunst om gaat is, als het goed is, nog iets anders. Het gaat over de moed om je los te maken van het vanzelfsprekende, jezelf even te vergeten en je open te stellen om opnieuw, als voor het eerst, naar de dingen te kijken – en tot de dingen te verhouden. Het gaat over verwondering.

Enkele weken geleden kwam ik hier, om kennis te maken met het werk van Wessel. Achterin de ruimte, bij het raam, stond een bronzen kalf. Het kleine lijf paste precies in mijn hand, die over de tere flanken streelde en even de buik vasthield, ongeveer zoals de beeldhouwer moet hebben gedaan toen hij het dier zijn lichaam gaf. Je zag in het beeld nog de vorm van de plakjes was waarmee het was geboetseerd voordat het in brons gegoten werd. Het lijf was opengewerkt met gaten, als je goed keek zag je dat het schroefdraden waren. Ze verleenden aan de vorm een transparantie en een structuur; ik vroeg me geen moment af wat die schroefdraden daar deden, volkomen organisch gaven ze het kalf zijn huid, zijn karakter, zijn kwetsbaarheid.
Het kalf ontroerde me: met zijn wankele poten, zijn vragende, licht opgerichte kop, zijn grote oren en zijn snuit waarvan ik haast ging denken dat die nat was, zoals ik opeens ook weer wist hoe kalfjes ruiken en hoe ik als kind op de boerderij van mijn vriendinnetje mijn vingers in hun mond stak om ze eraan te laten sabbelen. Maar het beeld bracht niet alleen mijn herinneringen bij me terug, het liet me ook iets anders zien – en dat kwam door wat Wessel zei.

“Ik pak de ruimte in”. Voor een beeldhouwer is dat waarschijnlijk een doodgewone opmerking, mij lieten deze woorden als voor het eerst naar het kalf kijken. Voorbij het feit dat het een jong dier was, waar ik reminiscenties aan had en dat mijn sentimenten aanwakkerde, voorbij dus wat ik al wist en waar ik woorden en begrippen en zelfs gekaderde emoties voor had, zag ik opeens een vorm in de ruimte, voelde ik hoe de ruimte door de vorm heen spoelde, zag ik het spel van licht, schaduw en volume, van contour en transparantie. Ik zag hoe de ruimte zijn plek innam in de vorm en hoe de vorm zijn plek innam in de ruimte; en plotseling zag ik hoe het beeld mij, zonder woorden, iets vertelde over het wonderlijke verschijnen en verdwijnen van de dingen in de ruimte en de tijd.

En nu dan de woorden vorm, ruimte en tijd vallen, kom ik als vanzelf bij het werk van Fennanda.
In haar tekeningen, collages en schilderijen, vertelt zij over haar waarnemingen van het landschap; over bomen en wolken, bergen en rivieren. Al in de manier waarop zij naar het landschap kijkt, stelt zij de vraag naar dat wonder van de aanwezigheid van de dingen. Zo wordt, in haar blik, een wolk tot een bezielde vorm, zo zingt een lichtvlek zich los van zijn naam, zo nemen de rivier en de berg haast mythische gedaantes aan.
Deze sensaties roept zij in haar werk opnieuw op, nu met behulp van verf en krijt, papier en linnen. Uit het samenspel tussen vorm, lijn en leegte, laat zij ruimte en energie ontstaan. De kijker ziet zich geplaatst tegenover mysterieuze, tijdloze werelden, waar de dingen geen namen of vaste vorm lijken te hebben – en waarin, in de woorden van de dichter Eva Gerlach, alleen nog ‘adem rondom is, en het stromen van water en wind.’

De afgelopen winter liep ik door het plantsoen. Het was ochtend, de lucht was nog pril, het was koud, het had gesneeuwd. Ik was alleen, het park was stil, het was een verloren uur waarin ik mij toestond te dwalen zonder ergens heen te gaan. De bevroren vijver lag als een spiegel onder de kale boomkruinen. Wanneer ik stilstond en mijn hoofd ophief, zag ik achter het raster van hun takken de helderblauwe hemel, die me voor even optilde, uit dit plantsoen in het hartje van de stad, uit de wereld van de namen en de dingen, en me deel liet uitmaken van iets wat groter was dan ikzelf.
Ik dacht aan de collages van Fennanda, aan hun lijnenspel, hun vormentaal, hun heldere ruimte. En opeens begreep ik ze helemaal. Of misschien was het anders. Misschien waren het de werken die me hadden geleerd te zien wat ik zag, in dat zonverlichte park op die winterse zondagochtend – en waren zij het, die me bij de verwondering hadden gebracht. Of misschien was het nog weer anders. En dwaalde ik die ochtend niet door het park, maar door een van de tekeningen van mijn vriendin.

© Janet Meester 2015. Tekst geschreven als openingswoord bij de tentoonstelling van het werk van Fennanda Eleveld en Wessel Bezemer. Dwingeloo, 24 mei 2015

---

The river is within us

Het werk van Fennanda Eleveld komt voort uit een observatie van de natuur. Als verwonderde toeschouwer zoekt zij naar het moment van 'verdichting van energie', waarin het geziene - een lijn, een lichtvlek, een wolk - zijn letterlijke betekenis overstijgt en een 'zijnsentiteit' wordt, waartoe de kijker zich kan verhouden. Dezelfde 'verdichting van energie' roept zij op in haar werk, nu met schilderkunstige middelen. Zij heeft daarbij de klassieke vorm van het schilderij losgelaten.

De uit mdf gezaagde en beschilderde 'reflectietafels', objecten en reliëfs ontlenen hun vormentaal aan natuurelementen. Soms verwijzen zij letterlijk naar een boom, een blad, een lichtvlek, water, aarde of lucht. Meer dan te duiden, doen de werken een beroep op de intensiteit van de waarneming, waarin een samenspel ontstaat tussen de kijker en dat wat hij ziet, tussen de wereld buiten en de wereld binnenin hem.

Eleveld onderzoekt bij dit spel met waarneming en betekenisgeving het grensgebied tussen object en schilderij, tussen verhaal en beeld. Zij laat het benoembare met het onbenoembare samengaan, wisselt figuratie en abstractie af en laat de taal toe om de blik van de kijker te richten.

Kunst maken is je verhouden tot de wereld om je heen. Het werk van Fennanda Eleveld wordt gemaakt als reflectie op het bestaan en nodigt uit tot een verbinden van wat we zien aan wie we zijn: 'The river is within us'.